cultuurhistorisch onderzoek

Hoofdgebouw Vrije Universiteit

Naar aanleiding van plannen om wijzigingen aan te brengen in de interne structuur van het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit heeft MSTATEMA een uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar de cultuurhistorische waarden van het gebouw. De waardestelling is gebaseerd op een uitvoerige beschrijving van het complex en een plaatsbepaling van het gebouw in de architectuurhistorische ontwikkeling van Amsterdam. Het bouwwerk is een ontwerp uit 1967 door Architectenbureau Nielsen en Spruit (Architektengroep 69), met als hoofdontwerpers Rob Poel en Peter Snel.

Het ontwerp met brutalistische invloeden dat zich kenmerkt door de vaste maatverhoudingen van de constructie en eenheid in vormgeving en materialisering, waarbij het beton zowel voor het interieur als het exterieur bepalend is, is kenmerkend voor de onderwijsgebouwen die eind jaren zestig begin jaren zeventig met name op campusterreinen werden gerealiseerd, zoals in Delft, Rotterdam en Utrecht. In reactie op het ‘kille’ modernisme werd echter een menselijke architectuur een belangrijk thema.

Centraal in het ontwerp voor het hoofdgebouw staat de hal die als pars pro toto representatief is voor de periode en de ontwerpvisie van de architecten. De menselijke architectuur werd enerzijds bewerkstelligd door ‘zoveel mogelijk te laten zien hoe het gebouw in elkaar zit’. Anderzijds werd een belangrijke rol toegekend aan het feit dat een bezoeker van het gebouw zich ten alle tijde moet kunnen oriënteren in het gebouw. De betonnen afwerking, met als hoogtepunt de afwerking van de aula, is medebepalend voor de sfeer en beleving van de ruimtes. Zowel de kolommen, cassetteplafonds als de trappenhuizen zijn voorzien van glad afgewerkt beton; in tegenstelling tot de aula, waar het beton zich aan de buitenzijde kenmerkt door verticale ribbels en in het interieur door de houtnerven van de bekisting. In de betonnen balustrades langs de vides in de hal zijn ter plekke van de kolommen openingen gemaakt waardoor de kolomstructuur wordt benadrukt. In de balustraden van de trappenhuizen zijn eveneens openingen aangebracht, waardoor ook diepe horizontale doorzichten zijn gecreëerd. De doorzichten naar buiten dragen bij aan de oriëntatie van de bezoeker, alsmede aan de beleving van de hal als buitenruimte, ondersteund door de doorlopende vloer van donkerbruine tegels.

Opdrachtgever: Bureau Monumenten & Archeologie, Amsterdam, 2011